In Trouw verscheen medio september een oproep vanuit het werkveld aan de politiek met een roep om meer tijd en ruimte. (het artikel uit Trouw)
Een artikel dat mij prikkelde. Het bleek dat een groep onderwijsfanaten uit zowel het PO als het VO een gezamenlijke brandbrief hadden opgesteld in reactie op Onderwijs2032. (lees hier meer over Onderwijs2032)
Nu verschijnt zo’n oproep via de media vanuit het werkveld aan de politiek vaker, niets nieuws. Een roep om extra geld, aandacht of tijd is eerder gedaan.(zie bijvoorbeeld: een artikel uit Trouw of een artikel uit het AD)
Nee, wat mij ditmaal prikkelde was de concrete oproep om meer autonomie. Een oproep om meer professionele ruimte voor de leerkracht.
Als ik terugdenk aan mijn keuze om het onderwijs in te gaan, dan staat mij als eerst voor ogen dat ik in de periode waarin ik mijn studiekeuze overwoog, altijd heb geroepen dat het in ieder geval niet “het onderwijs” zou worden. Was dat om me af te zetten tegen het nest waaruit ik kom? Het nest waarvan beide ouders werkzaam zijn in het onderwijs. Duidelijk voor mij was dat ik alles zou worden behalve onderwijzer. Ik koos bèta: wiskunde, natuur/ scheikunde en zelfs biologie.
Nu, zo’n 15 jaar later ben ik toch werkzaam in het onderwijs. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Wat maakte dat ik toch koos voor het onderwijs?
Over het antwoord kan ik duidelijk zijn. Het was de autonomie die je als leerkracht hebt. De ruimte waarbinnen ik als professional vrij kan bewegen. Ik koos voor het basisonderwijs omdat ik me niet wilde binden aan één vak. Wil ik aandacht besteden aan het onderwerp ‘zwaartekracht’? Prima! Wil ik met de kinderen samen praten over ‘antisemitisme’? Het kan! Verhalen vertellen over oorlogen en historische helden? Het uitleggen van eb en vloed? Stel je voor. Die vrijheid!
Als starter, jonge hond in het onderwijs, begon ik enthousiast. Hoe mooi ik het vak ook vind en hoezeer ik ervan houd, ik zie het veranderen. Krampachtig gefocust op resultaat. Het steeds meer verworden tot een systeem met input en output. Gemaskeerd door termen als doelen, opbrengsten en evaluaties. (of kies er zelf één uit deze lijst)
Ben ik een tegenstander van registeren, volgen en analyseren? Absoluut niet. Goed onderwijs vraagt ook om een duidelijk beeld van opbrengst en wat nodig is. Voor dit duidelijke beeld ontkom je niet aan data die dit beeld (deels) voor je schetst. Natuurlijk zie en signaleer ik als leerkracht zaken. Maar niet alles. Voor die gaten gebruik ik data. Daar is niets mis mee.
Maar je kan erin doorslaan. Data op zich maken het onderwijs niet beter. Het is wat je er vervolgens mee doet. Data en registratie verschaffen je niet de veiligheid en de garantie van goede resultaten. Het helpt je als leerkracht wel. Als leerkracht ben en blijf je de spil, want je gaat met de uitkomsten aan de slag om te bepalen wat de leerlingen nodig hebben: moet ik iets nog uitleggen, kan ik al door, vragen ze meer uitdaging, kan ik dingen combineren, kunnen leerlingen ook leren van praktische zaken als: zorg voor de buurt, verhuur van gereedschap van school, een schooltuin, ICT-uitleg aan ouderen en noem maar op!
Dat is waarom ik mij ook sterk maak voor meer ondernemerschap in het onderwijs. Als ondernemer heb je de vrijheid om de keuze te maken die jou goed en verstandig lijkt voor je ‘eigen’ bedrijf. Die mentaliteit zou meer in het onderwijs terecht kunnen komen. Vertrouwen op professie. Ondernemerschap!
Ha, mooie column. Leuk dat je aangeeft waarom je ooit voor het onderwijs hebt gekozen. Ik hou wel een vraag. Ben je al ondernemer als docent en is dat je punt? Of vind je dat anderen je toestemming en ruimte moeten geven om meer te ondernemen?
Hallo Bart, wanneer ik zou vinden dat anderen mij toestemming en ruimte zouden moeten geven zou er geen sprake zijn van autonomie, van eigenaarschap. Ik heb het voorrecht te werken op een plek waar ik (mede) de randvoorwaarden kan scheppen om meer te werken vanuit ondernemerschap en eigenaarschap. Daarnaast probeer ik het in te passen in mijn eigen onderwijs. Mijn hoofdpunt is dat ik het, het onderwijs toewens dat we meer vanuit ondernemerschap gaan denken en minder vanuit het volgen van ‘de ander’ en het moeten.